Opvoedingsvragen

 

 

Opvoedingsvragen

 

 

 

Een kind opvoeden is boeiend, maar best ook vermoeiend. Het is een weg waarbij ouders en begeleiders het kind stimuleren, sturen en steunen. Elke dag ontdekt een kind meer en gaat het een stapje verder. Voor opvoeders een pracht van een uitdaging.

Het is normaal dat je als ouder vragen hebben rond opvoeding. Denk hierbij aan bijvoorbeeld; drift en koppigheid, slapen, eten, druk gedrag, bijten, angsten, huilen, rouwen, scheiding en zindelijkheid.

Ook ouders van pubers kunnen steun en begeleiding goed gebruiken. De puberteit is de levensfase tussen kind en volwassenheid. Het kind maakt allerlei lichamelijke en psychische veranderingen door die hem of haar voorbereiden op een leven als volwassene. Veel pubers zoeken in deze tijd de grenzen op van hun onafhankelijkheid.

Veel pubers lijken in hun weg naar zelfstandigheid van de ene dag op de andere te veranderen van een gezellig kind in een tegendraadse zoon of dochter. Er ontstaan dan regelmatig opvoedingsproblemen. Verkeerde vrienden, spijbelen, urenlang gamen en geen huiswerk maken zijn voorbeelden van gedrag dat ouders radeloos kan maken. Als je er middenin zit kan het heel pittig zijn. Denk dan af en toe terug aan je eigen puberteit en weet dat het bijna altijd weer in orde komt. 

 

 

Omgaan met pubers

  • Toon oprechte belangstelling. Ga ervan uit dat je puber het meest weet over zichzelf. Luister zonder oordelen en vooroordelen. Geef je kind de tijd om zijn verhaal te doen, zonder steeds in te breken. 
  • Stel duidelijke regels waar je niet vanaf wijkt. Laat je kind zien dat de regels soepeler worden als hij of zij er op een verantwoordelijke manier mee om kan gaan. 
  • Probeer in gesprek te blijven met je kind. Praten met een kind in de pubertijd betekent vooral luisteren, niet ‘preken’. 
  • Neem je kind serieus. Erken en benoem zijn of haar gevoelens. Wie zich gehoord voelt, is eerder bereid tot een eerlijk gesprek. 
  • Ga na waar je boosheid vandaan komt. Heb je bijvoorbeeld angst voor gevaar? Leg dat uit aan je kind. Hij of zij wil je waarschijnlijk helemaal niet ongerust maken, maar zich vrij voelen. 
  • Laat je kind binnen veilige grenzen leren van zijn of haar fouten. Zeg niet ‘zie je wel’ als het fout gaat, maar laat je kind zelf conclusies trekken. 
  • Toon voorbeeldgedrag. Een kind ‘doet niet wat je zegt, maar kijkt naar wat je doet’. Rook dus niet bijvoorbeeld, als je van je kind verwacht dat hij of zij niet gaat roken. 
  • Bepaal welke onderwerpen voor jou belangrijk zijn om de 'strijd' over aan te gaan, maar leg niet op alle slakken zout. Pick your battles! 

Aanmelden nieuwsbrief

Deel deze pagina